Donderdag 18 juni
Enigszins gebroken word ik de volgende morgen wakker. Het is nog rustig en ik pak mijn kans. Wijs geworden door mijn collega druk ik de stang van de douche goed op zijn plaats en weet na tien minuten zonder noemenswaardige beschadigingen de ruimte welriekend te verlaten.
Tijd om de innerlijke mens te verstevigen en ons voor te bereiden op de volgende dagmars.
Bij mijn binnenkomst staat er een geweldige tafel gedekt met verschillende broodjes, vleeswaren, smeersels, ei, jus d’orange, koffie, thee en een overdaad aan kazen. We hebben het allemaal met Jaco te doen – die gaat zekerheidshalve aan het uiterste einde van de tafel zitten.
Na het eten pakken we de kaart er nog eens bij en controleren de route. Ook deze keer wordt het een mooie maar pittige tocht.
4e bestemming: Landsberger Hütte (1800 m)
Weten de Oostenrijkers wel dat zij in het Elysium wonen? Wat is dit land toch ontzettend mooi, bijna paradijselijk.
We beginnen onze tocht te klimmen naar een hoogte van circa 1677 meter, waarna het omlaag gaat naar circa 1300 meter. Het eerste gedeelte is duidelijk beweid en in gebruik door boeren, maar het tweede gedeelte is veel meer natuur en ruig, met beekjes en watervallen. Het lopen gaat hier ontspannen en het tempo ligt hoog.
Tijdens de eerste pauze komen ons drie jonge mensen achterop, met touwen, waterdichte rugzakken en wetsuits – ze gaan canyoning doen. Bij canyoning maak je al lopend, zwemmend, klimmend, glijdend, springend en abseilend een tocht door een kloof (of ‘canyon’) waar meestal water doorheen stroomt. Wij raken met hen in gesprek en zij zullen achter ons in de rivier te water gaan. We hebben ze in hun tocht nog een stukje gevolgd, visueel gesproken dan hè, niet actief natuurlijk.
Na de mooie afdaling krijgen we een relatief saai gedeelte: een brede weg tussen stukken gras met bomen, maar wel steeds klimmen. We komen nu ook meer wandelaars tegen, het wordt steeds drukker. Gek, maar ergens vind ik dat vervelend – ik kan niet meer in mezelf kruipen, ik ben niet meer alleen, ik voel me bekeken.
De saaiheid slaat over naar indrukwekkend: de kale bergkammen komen dichterbij, de ruigheid is overweldigend. Eerst waren de bergen nog ver weg, maar nu omsluiten ze je.
We zijn een uur verder na de pauze en Peter besluit de groep te verlaten. Hij heeft al een paar dagen last van een soort griep en vandaag nekt hem dat. Hij besluit alleen terug te gaan en Harold te bellen om hem op te halen. En toen waren er nog maar zeven.
Ons wacht nog een lange weg. Het punt waar we staan is op 1519 meter, iets voor de helft – ik schrijf dit achteraf, dus ik weet op dat moment nog niet dat het ergste nog moet komen. We moeten nog bijna 500 meter klimmen.
De bomen verdwijnen en er is dus steeds minder schaduw. Niet alleen de begroeiing verandert, het totale beeld wordt ruiger. Overal zijn stroompjes en dat is een welkome bron van verfrissing. Ik zit zo in mijn cocon dat mijn broeders me er zowat bij moeten slepen om me ervan bewust te maken dat dit echt wel helpt om je op te frissen.
Steeds hoger en hoger. We komen bij een splitsing waar een aantal van de groep het aanlokkelijke vooruitzicht op een verfrissing van cola niet langer kan verdragen en er een kilometer voor wil omlopen. Dat is voor mij een no-go, dus ik ga omhoog en door naar de Strindenscharte. Net voor de overgang van de ene naar de andere vallei ligt nog een stuk sneeuw, en daar moet natuurlijk door een aantal even een sprintje naartoe worden getrokken. Nog even een sneeuwballenwedstrijd… En weer verder. Koelt wel lekker af.
Topje over en even pauzeren, in de volle zon, en we snakken naar een beetje schaduw. Na een half uur trekken we verder en kom ik erachter dat het hoogste punt ruim 2000 meter voor ons ligt en via een steil en moeilijk begaanbaar pad bereikt zal moeten worden. Bovendien is het er ontzettend druk – het lijkt de Kalverstraat wel. Op dit punt word ik even gedesillusioneerd. Ik word boos, maar ja, op wie moet je boos worden? Ik kan er een hele verhandeling over houden, maar in het kort: zet je boosheid om in handelen, dan hou je op het einde misschien nog energie over.
En zie, ik heb het gehaald, en het uitzicht is magnifiek. Vanaf hier hebben we een mooi uitzicht op de komst van de Colaboys, want daar is het op wachten.
Vanaf hier is het nog ongeveer twee kilometer naar de Landsberger Hütte en een afdaling van circa 200 meter. Het eerste gedeelte gaat vlot en laat een geleidelijke daling zien. Het uitzicht is weids – je loopt op de toppen van de bergen. De omgeving bestaat hoofdzakelijk uit gras en kruiden. Als je naar de wandelaars kijkt in verhouding tot de bergen, dan voel je je nietig.
Na ruim een half uur ontvouwt zich aan onze voeten een wonderschoon panorama. In het midden staat op een groene uitloper van een bergkam de berghut Landsberger Hütte, met links en rechts een meer, met daaromheen hoge kale bergen. Voor de hut, in het verlengde van de bergkam, ligt als een soort groene brug tussen de twee meren een oase van alpenflora. Dat laatste merk je pas op als je erdoorheen loopt. En dat zou je eigenlijk, om het goed te doen, niet moeten hebben opgemerkt, als je slim was – want de makkelijke (kale) weg was eromheen. Maar ja, wij kijken recht voor ons en letten niet op, en kiezen voor de moeilijke weg.
Goed, wij komen aan en bestellen onze – je raadt het al – welbekende halve liter cola. Minder kan trouwens niet. Ondertussen ligt Ramon heerlijk in een van de meren te poedelen, want als hij water ziet…
Bij de mededeling van de serveerster waar onze slaapplek is, klinkt het alsof ons een wel zeer bijzondere eer wordt verschaft: dat wij onze intrek mogen nemen in het winterverblijf. Het klinkt bijna koninklijk. Wij hebben zelfs een eigen ingang. Hmm, ja.
En dan kom je binnen en dan denk je: in welke film zijn we hier beland? Terug naar Westerbork? Wat een negorij. Dit is de ergste slaapplaats van allemaal. Je zit gewoon in een kelder weggestopt – niks winterverblijf, daar stop je nog geen varkens. Het is gewoon een stookhok. Aan de voorzijde is een houtvoorraad met een deur die niet kan worden afgesloten. Daarna een deur naar het slaapverblijf, met aan de linkerkant stapelbedden die meer op kribben uit de concentratiekampen lijken, en aan de rechterkant twee ramen die uitkomen op een steile afgrond. Geen vluchtweg, geen toilet, geen douche, geen stromend water, één stopcontact en één lichtpunt met een lamp van 25 watt. ‘Als je naar het toilet moet, dan hang je hem maar buiten de deur’ (of uit het raam – red.), is de reactie van de bediende op de vraag van Ramon hoe we ’s nachts naar het toilet moeten.
Ook hier is de policy: niet met de rugzak en je schoenen in de verblijven. Dus netjes je spullen in de bakjes en de rugzak in de kelder. De douche voor ons staat aan de andere kant van de Landsberger Hütte en bevindt zich in een apart gebouwtje. Het is beter om maar ’s middags te douchen, want dit gaat ’s morgens niet worden.
Het is er overigens razend druk – een tent met wel tweehonderd slaapplekken en een varkenshok. Het personeel is vriendelijk maar op een vreemde manier – ik heb er geen beschrijving voor. Als je niet binnen tien seconden een bestelling goed formuleert, lopen ze weg.
Maar het eten is goed, vind ik. Misschien denken de anderen daar anders over.
Ook deze avond ga ik vroeg onder de wol. De anderen blijven nog even voor wat spelletjes of lezen. Het is goed dat ik twee dekens heb, want het is ’s nachts ontzettend koud.
